fbpx

Stichting TIJD

  • Vrijwilligers Willem en Harry

    Vrijwilligers Willem en Harry in de Le Roy tuin

  • Le Roy tuin 50 jaar: 1966 - 2016

    Le Roy tuin 50 jaar: 1966 - 2016

  • Ecokathedraal Mildam

    De Ecokathedraal in Mildam

  • Ecokathedraal Mildam

    De Ecokathedraal in Mildam

Waarom hebben zoveel mensen moeite met het verwerken van de ideeën van Louis G. Le Roy, met name wanneer die in de praktijk toegepast worden?
Wanneer ik serieus op die vraag inga, komt er bij mij een hele stoet van inzichten langs die in de loop der tijd door uiteenlopende personen gelanceerd zijn maar die – anders dan de onderdelen van het nog heersende materialistische wereldbeeld – niet echt in een samenhangend geheel zijn bijeengebracht.

We hebben geleerd ons de werkelijkheid voor te stellen als primair materie, en die materie als een verzameling van deeltjes die eigenschappen hebben en krachten uitoefenen. Die deeltjes (waaruit atomen bestaan) zijn onderling gelijk, nemen een zekere ruimte in, kun je tellen, veranderen zelf niet. We voeren alles terug op die deeltjes, aan het bestaan waarvan we niet twijfelen omdat je er zo lekker mee werken kunt. Wat je tellen kunt, daarmee kun je rekenen. En dat beschouwen we als het zegel van de waarheid.

 

Zo veranderen we ons beeld van de werkelijkheid: van iets dat vloeiend en continu is en tijd in beslag neemt in iets dat opgebouwd is uit brokjes. En aan de detaillering van dat verbrokkelde beeld werken we nog steeds. Dat zien we bijvoorbeeld aan een vrij recente technische vernieuwing. Vroeger hadden we in onze slaapkamer een analoge wekker. Die gaf de tijd aan met wijzers die niet sprongsgewijs bewogen (zoals de klokken op NS-stations) maar geleidelijk. Er was zo een evenredige relatie tussen het verloop van de tijd en de beweging van de wijzers. De wijzers bewogen analoog aan de tijd. Tegenwoordig hebben we een digitale wekker. De indicatie daarvan staat een minuut lang in dezelfde stand (hoewel de tijd intussen verloopt) en springt dan een minuut verder. Zo krijgen we de indruk toegediend dat de tijd opgebouwd is uit deeltjes, minuten. Oké, met de elektronische tijdrekening die gebruikt wordt bij schaatswedstrijden, werken we niet met minuten of seconden maar met duizendsten van een seconde. Maar dat verandert niets aan het feit dat we de tijd nog steeds behandelen als de som van een aantal tijdbrokjes, tijdbouwstenen. Dat betekent dat onze geest schematiseert, niet alleen de omgeving die we beleven maar zelfs ons beleven van tijd. En telkens wanneer we op ons horloge kijken, geven we ons een injectie van het intellectuele gif dat ons digitaliseert.      
De atomen of sub-atomaire deeltjes stellen we ons voor als bolletjes die om elkaar draaien in een dans waarvan de choreografie op wiskundige verhoudingen berust. Tussen atomen bestaan affiniteiten, en daarmee verklaar je allerlei chemische reacties. Reacties zijn processen, geen deeltjes, maar die kunnen we slechts begrijpen als we uitgaan van de realiteit van deeltjes. Ook hier vertalen we de continue werkelijkheid in een schema van deeltjes. En die brengen we onder in het periodieke stelsel van Mendelejeff: daarin heeft elke atoom zijn vaste en betrouwbare plaats (vergeet madame Curie even) , tijdloos, roerloos. In dat indrukwekkende schema speelt de factor tijd geen rol. We denken namelijk ook hier in termen van bouwstenen van een vast formaat. Die beslaan wel ruimte maar geen tijd.
Het gif werkt door. Vroeger speelden de kinderen met water en zand; daaruit bakten ze allerlei denkbeeldige broodjes, in willekeurige maten. De fantasie had vrij spel. Nu spelen de kinderen met deeltjes, die we Legoblokken noemen. Die beperken de fantasie. Ze staan geen lichte krommingen toe in de bouwwerken die het kind ontwerpt. Er zijn wel Lego-elementen met krommingen, maar die laten weer niet met zich spelen: het zijn kant en klare auto’s, robots, enz.
Als je de factor tijd weglaat in je onderzoek, mag je niet verwachten dat je ooit de werkelijkheid zelf te pakken hebt. Hierop heeft de Britse wiskundige A.N. Whitehead gewezen.

Het lijkt normaal de tijd te beschouwen als de vierde dimensie. Je kunt je de drie basale dimensies van de ruimte voorstellen als zich uitstrekkend langs deeltjes, en dus zelf opgebouwd uit deeltjes (weergegeven in getallen); waarom zou je dan de tijd niet als net zo’n dimensie beschouwen, ook opgebouwd uit deeltjes? Tijdsdeeltjes natuurlijk. In die zin een vierde dimensie. Maar er is iets  eigenaardigs aan onze vierde dimensie: die laat alleen beweging in één richting toe, kent alleen een gang van verleden naar toekomst, en is door het feit zelve geen familie van de ruimtelijke dimensies. De gedachte aan tijd als vierde dimensie mag handig zijn om je hersens te oefenen, ze verwijdert ons ook van de realiteit van de alledaagse beleving. De tijd terugdraaien (zoals in het gedachte-experiment van Einsteins speciale relativiteit) kan in onze werkelijkheid niet. Je kunt niet door de ruimte reizen en, terugkomend op aarde, zien hoe je toekomstige vader werft om de hand van je toekomstige moeder.
Maar laten we wat dichter bij huis blijven. Een Lego-kasteel bouw  je uit blokken die ogenschijnlijk los staan van de tijd. Dat kasteel ziet er over tien jaar nog net zo uit. Zo beschrijven we ook een plant (neem het plantje biggekruid) als een tijdloos ding. De bloem (die lijkt op een paardebloem) beschrijven we zoals die zich toont op het toppunt van zijn ontwikkeling, en bovendien midden op de dag als dan de zon schijnt. In de ochtendschemering ziet de bloem er anders uit. Na de bevruchting ook. Hier is de factor tijd duidelijk werkzaam,  dus onze schematische  beschrijving die tal van tijdsaspecten verwaarloost, staat een eind af van de realiteit biggekruid. Of neem een boek over dierkunde. Dat zegt dat een hermelijn (afgezien van het puntje van zijn staart) ’s zomers bruin is en ’s winters wit. Ik heb in november een hermelijn gezien die de kleur had van pindakaas: het beestje was halverwege de kleurwisseling. Die kleurwisseling is afhankelijk van de tijd en – net als de tijd – continu. In onze boekjes wordt dan ook niet de werkelijke hermelijn beschreven  maar een schematisch uittreksel ervan. De tijd wordt uitgeschakeld omdat de auteur denkt in eenheden van een seizoen: zomer, winter. Tussentijden bestaan voor hem niet. Zijn tijdsbegrip  is niet continu, mist dus realiteit.
Door de tijd uit te schakelen bedrieg je jezelf. Maak eens een foto van je buurvrouw. Grote kans dat ze vindt dat ze er niet mooi op staat. “Zo ben ik niet” zal ze zeggen. Liegt de camera? Nee, je bedriegt  jezelf als je denkt de essentie van het gezicht van buurvrouw met een momentopname te vangen. Want een momentopname schakelt de factor tijd uit. Datgene wat karakteristiek is aan het gezicht van buurvrouw is meer dan alleen hoe de onderdelen va haar gezicht staan, het is veeleer de manier waarop de onderdelen van het gezicht bewegen. En dat kan een camera niet vangen. Een filmtoestel wel. Maar dat werkt met tijd.
In de New Scientist van 30 augustus 2008 staat een artikel over chronotherapie, geneeskundige behandelingsmethoden die rekening houden met de tijd van de dag (overdag of ’s nachts innemen, bijvoorbeeld). De factor tijd is beslissend in de effectiviteit. Men brengt de zaak in verband met de biologische klok of het etmaalsritme (circadian rhythms).
Net als hier hebben we met ons beeld van een tijdloos Legokasteel aantoonbaar met zelfbedrog te maken. Over duizend jaar is dat kasteel echt niet meer hetzelfde: er is iets aan veranderd. Het is niet meer zo fris. Het heeft door diffusie vreemde stoffen in zich opgenomen. Misschien zijn de bouwstenen daardoor moeilijk uit elkaar te halen of beginnen ze te verpulveren. Dat we daar geen rekening mee houden, komt omdat we de bouwstenen en het kasteel bekijken over de beperkte tijdschaal die bij ons mensen past. Die tijdschaal kun je wel aanpassen aan de lengte van een mensenleven, maar daarmee doe je de tijd geen recht. Want waarom de tijd niet afmeten aan de tijdschaal van een mierenleven? Een tijdschaal die aangepast is aan de lengte van een mensenleven, is een paskwil. Dat is iets wat zich met een klap aan je opdringt wanneer een geliefde gestorven is. Je verbaast je erover dat een mensenleven wegvalt en de tijd toch gewoon doorgaat.
Moeten we de realiteit om ons heen altijd bekijken vanuit ons verbrokkelde tijdsperspectief? Ik meen van niet. De bouwers van de middeleeuwse kathedralen werkten niet met een bouwtekening die na tweehonderd jaar nog zijn geldigheid had. Ze bekeken het bouwwerk niet als iets dat een statische tekening als basis had, ze beleefden het als een gebeuren dat gerust meer tijd mocht kosten dan een mensenleven toestond. Voor hen was de kathedraal een belevenis, niet de realisatie van een bouwtekening. De realiteit ervan hoorde niet thuis in de categorie “ding” (zoals een Legobouwwerk), maar in de categorie “proces”. 
Vergelijk een ding eens met een proces (werking, actie, gebeuren). Een ding neemt  ruimte in beslag, een proces (werking) neemt tijd in beslag. In een ver verleden dachten de mensen primair in dynamische begrippen die vooral samenhingen met actie. Het Hebreeuws werd een cultuurtaal rond 1000 vóór Christus, dus drie millennia geleden. Dat was een tijd van dynamisch denken. Men beleefde overal krachten. Het begrip kracht is volgens bijbelcritici een sleutelwoord voor het begrijpen van het denken van het oude Joodse volk. Kenmerkend voor de taal van dat volk is dat verreweg de meeste woordstammen in die taal werkwoordsstammen zijn.
In het Nederlands komen huiselijk, thuis en verhuizen  van huis, een ding-woord; vergaan, gang  en begaanbaar komen van gaan, een werkwoord. Zo zijn de voornaamste elementen van onze taal werkwoordstammen en zelfstandige woordstammen (ding-woorden).
In onze moderne talen zijn de dingwoord-stammen talrijker dan de werkwoordstammen omdat er in de loop der eeuwen steeds meer statische begrippen ingevoerd zijn, die je als dingen, dus met zelfstandige naamwoorden, aanduidt.
Het omschakelen van het dynamische denken van het Hebreeuws naar het statische denken van onze tijd valt gemakkelijk te illustreren aan een gebeuren dat tussentijds plaatsvond, namelijk in het oude Rome van ca. 300 vóór Christus. Men deelde de dag en de nacht in volgens het twaalftallig stelsel, elk in 12 uren (horae). Maar hoewel in midzomer de dag  drie keer zo lang is als de nacht, en ’s winters omgekeerd, rekende de Romein ’s nachts (ook ’s zomers) met 12 horae; een zomernacht die bij ons maar 6uur duurt, duurde destijds toch 12 horae.  Een hora bij daglicht telde daarentegen 18 van onze uren. De lengte van een hora varieerde dus met het seizoen. Toen men behoefte kreeg aan natuurkundig onderzoek (denk aan Archimedes) voerde men de waterklok in. Men kon de tijd toen meten aan strepen op de waterklok. De afstand tussen twee strepen was constant, heel anders dan de lengte van een hora. De hora was dynamisch, de waterklok-eenheid statisch.
Sinds de opkomst van de natuurwetenschappen streven we ernaar om alles wat we overdenken in cijfers uit te drukken. Waarom? Omdat cijfers een rol spelen in rekenen, in wiskunde; en welke tak van intellectuele bezigheid belooft grotere zekerheid dan wiskunde? Om in de natuurkunde de mate van zekerheid te bereiken die de wiskunde geeft, moesten we de natuur omzetten in getallen. Pythagoras kwam met het idee om alles tot getallen te herleiden. Niet om te beweren dat alles uit getallen bestaat, maar om te bewijzen dat alles via het getal inzichtelijk gemaakt kan worden. 
En dat proberen we. Cijfers verkrijg je door tellen (en daarom probeer je de werkelijkheid op te vatten als een geheel van telbaarheden, dingen). Maar er zijn heel wat werkelijkheden die je niet tellen kunt. Kun je een gewicht tellen? Om dat te doen moet je overgaan tot meten, waarbij je willekeurige eenheden invoert, gewichtjes van tien gram, honderd gram ,enz. Wanneer ik met een bascule vaststel dat iets 43,2 gram weegt, kan dat alleen maar waar zijn als ik gewichtseenheden van een honderdste gram mag verwaarlozen. Want in feite is wat ik weeg misschien 43,2715…  gram. Ik reduceer dus de werkelijkheid van het gewicht tot (niet-bestaande) eenheden van een-tiende gram. Daarmee verlaat ik opnieuw de realiteit. Dat komt omdat ik werk met statische eenheden, eenheden waarbij de tijd geen rol speelt. Als mijn auto vandaag 1008 kg weegt (leeg gewicht), weegt hij dat morgen nog. Ik acht me gerechtigd van de factor tijd af te zien. Maar in feite is de roest al bezig en verandert daardoor het gewicht van mijn auto al enigszins. Dat vergeet ik, want ik denk graag in termen van onveranderlijke eenheden (gewichtseenheden, deeltjes, afstanden) en schakel de factor tijd bewust uit..

Terug naar de dynamische natuurbeleving van de oude Hebreeën. Nog dynamischer dan zij denken nu nog sommige Indianenstammen. In het zuidwesten van de Verenigde Staten bestaan talen die geen zelfstandige naamwoorden kennen. De Indianen van een bepaald volk zeggen bijvoorbeeld niet: “Deze weg loopt van San José naar Tucson”, ze zeggen: “Hier wegt het van het San Joségebeuren naar het Tucsongebeuren”.  Realiteiten die wij opvatten als dingen, zelfstandigheden (weg, San José) beleven zij als processen, gebeurtenissen.  Onze taal kent hiervan nog een vaag restje. Wanneer wij zeggen “Het regent” hangen wij het proces regenen ook niet op aan een zelfstandigheid; we zeggen bijvoorbeeld niet: het weer regent, of: de lucht regent. Met de formulering “het regent” erkennen we dat er een proces kan bestaan zonder een onderliggende statische basis.
Voor mensen die consequent denken in dynamische begrippen, en hun taal-bouwstenen draperen rond werkwoorden, is de werkelijkheid een geschiedenis. De aarde is voor hen een gebeuren, een geschiedenis, zoals het opgroeien van een kind een geschiedenis is. Die geschiedenis verloopt in haar eigen tijd, en daar moet je met je grove poten (bulldozers, verbrandingsmotoren) niets aan forceren. De aarde is heilig, want het dynamische is goddelijk. Het inbrengen van een op statische begrippen gebaseerde techniek (met zijn vervuiling en lawaai) in het heilige gebeuren van de geschiedenis van mens en aarde is voor mensen die denken als de genoemde Indianen een verkrachting.
De Romeinen stapten over van een met het seizoen veranderende lengte van het uur naar een vaste duur van het uur door over te stappen op streepjes van de waterklok. Ze wilden immers meten en vergelijken, en om tijd te meten heb je vaste eenheden nodig. De tijd zelf biedt die eenheden niet (de seizoenen bederven dat), en daarom leiden we de tijd af uit vaste bewegingen in de ruimte, van de aarde om haar as (een dag), of van de aarde om de zon (een jaar). In feite behandelen we de tijd dus als een kindje van de ruimte, afhankelijk daarvan. Tijd vatten we op als een afgeleide van ruimte. Aristoteles zei: tijd is de maat van beweging. Maar dat vatten wij anders op dan hij. Voor hem was beweging dynamisch, verandering, gebonden aan tijd; voor ons is beweging gebonden aan plaats, aan ruimte.  
Er zijn dingen die in de loop van de tijd telkens een andere ruimte innemen, bijvoorbeeld een golf aan het strand. Een realiteit, maar ga die maar eens meten!  Van drie personen die dat doen krijg je geen eensluidend resultaat omdat het ruimtelijke gegeven steeds wisselt. Ruimte belooft zekerheid, vastheid, hetgeen voor natuurkundige metingen nodig is, maar een golf is een tijdverschijnsel en tart normale metingen.
Ruimte belooft zekerheid, en dat waardeert niet alleen de wetenschapper. Ook de moderne tuinliefhebber (?) doet dat.  Een tuintje van betontegels, kunstgras en plastic schermen staat er na een vakantie van drie weken nog net zo bij. Fijn voorspelbaar, strelend voor je behoefte aan zekerheid. De tijd heeft er geen greep op. Daarom leeft zo’n tuin ook niet, want leven gebeurt in de tijd, niet in de ruimte. Een levende tuin met zijn dynamiek heeft zijn eigen verhaal, is geen samenstel van dingen maar een geschiedenis.  Die kan je wel eens voor verrassingen plaatsen. Ik ben benieuwd of de toekomstige Heerenveners de verrassingen die de Stichting Tijd met le Roy’s erfenis hun zal bezorgen, wel altijd zullen waarderen.  
De Griekse filosoof Zeno van Elea dacht twee-en-een-half millennium geleden bewezen te hebben dat verandering een illusie was. Hij liet in een denkbeeldige wedstrijd Achilles hardlopen tegen een schildpad die enkele meters voorsprong had  gekregen. Telkens wanneer Achilles het punt bereikte waar de schildpad zojuist was, was de schildpad weer iets gevorderd. Zo kon Achilles de schildpad dus nooit inhalen, want altijd moest hij eerst het punt bereiken waar de schildpad bij de vorige waarneming vertrok. De fout in dit denken: je kunt een in wezen continue realiteit als de tijd niet opdelen in deeltjes, niet fragmenteren, zonder haar van haar realiteitswaarde te beroven.

Laten we eens zien hoe we ertoe gekomen zijn in alles telbare eenheden te zoeken. Ik maak daarvoor een gedachtesprong naar de lagere school van mijn jeugd, om toe te lichten waarom we zo op het deeltjes-paradigma vertrouwen. Wat je op school leerde, dat geloofde je. En dat zit ons nu nog dwars. Als moeder thuis iets anders zei dan de meester, gaven we de meester gelijk. Nu geven we de professor van de universiteit gelijk, ook als onze zintuigen het tegendeel tonen.    
Zo kregen we een keer in de natuurkundeles te horen dat onze wereld bestond uit atomen, oer-kleine onderling gelijke deeltjes die ver van elkaar gelegen waren. Zo bestond een stoel uit van die kleine bolletjes, een tafel ook. Ja, toen kwam natuurlijk ergens uit de klas de vraag: “Maar meester, als die bolletjes zo ver van elkaar zitten, dan kunnen een tafel en een stoel toch gewoon dezelfde ruimte innemen? Als de bolletjes van de stoel en de tafel tussen elkaar schuiven, is dat toch zo gepiept?”  Nee, zei de meester, die bolletjes oefenen een kracht uit, en door die kracht duwen de bolletjes van de stoel de bolletjes van de tafel weg.
Hoe die bolletjes krachten uitoefenden, dat kon de meester niet vertellen. Geen wonder, want dat is ook niet te verklaren. Krachten bewegen zich in de tijd, en bolletjes bestaan in de ruimte. Zolang je aan het idee van tijdloze bolletjes vasthoudt (zoals de grondleggers van de atoomtheorie deden), kun je het bestaan en optreden van krachten (en dus van in tijd verlopende processen) niet verklaren. De gedachtesprong van ruimte naar tijd ontsnapt ons begripsvermogen.
In de techniek werkt men met velden waar men krachten aantreft die niet precies ruimtelijk bepaald zijn. Van een bolletje kun je zeggen: Daar zit het. Van een kracht niet, die manifesteert zich ergens in een veld. Toen Faraday het idee van elektrische velden invoerde, hielp hij de elektriciteitsleer een enorm eind vooruit, maar eigenlijk veroordeelde hij daarmee de gewoonte om de werkelijkheid op te vatten als een geheel van statische elementen. Dat Faraday met zijn nieuwe inzichten een meer dynamische visie had op de werkelijkheid, was geen wonder: hij had nooit aan een universiteit geleerd zijn ideeën aan te passen aan wat een professor zei; hij had zijn ideeën al knutselend opgedaan, direct uit de ervaring.  
De atoomtheorie werd pas echt vruchtbaar toen men het begrip van een statisch atoom herzag en ontdekte dat een atoom een proces was van krachten die rondom een atoomkern jagen; en die kern had op zijn beurt een spin, een draaiing om de eigen as. Ook een proces. Toen ook kon men op het idee komen van atomen die elektronen met elkaar uitwisselen (een proces), en zo kon men zich een begrip vormen van wat een elektrische stroom was, wat ionen zijn, hoe chemische processen tot stand komen. Naast statische elektriciteit kon men zich dynamische elektriciteit gaan voorstellen, wisselstroom, elektromagnetische velden.
Terugkomend op deeltjes en krachten. Het zijn de krachten die verhinderen dat een stoel en een tafel eenzelfde ruimte kunnen innemen. Aan het einde van zijn befaamde boek “A Brief History of Time” (Nederlands: Het heelal) zegt de natuurwetenschapper Stephen Hawking: Zijn er eigenlijk wel deeltjes? Hebben we niet altijd te maken met golven, krachten? En de eigenwijze maar zeer gerespecteerde David Bohm concludeert uit de proeven, gedaan door John Bell (New Scientist, 27-2-1993 blz. 38-41) dat licht soms als deeltje en soms als golf opgevat moet worden; maar hij gaat verder: volgens hem betekent dat niet dat de waarnemer bepaalt hoe de natuur zich gedraagt (die rare veronderstelling wordt serieus verkondigd!), het betekent dat er geen deeltje denkbaar is zonder golf. Deeltjes kunnen niet bestaan zonder golven. En dan zeg ik: de deeltjes van een stoel danken hun bestaan aan de krachten die in de stoel werken. De oude Indiërs noemden de materie (deeltjes) maya, schaduwspel, product van mentale krachten. Zijn deeltjes dan toch een illusie?   
Maar deeltjes kun je toch zichtbaar maken? Neem een kathodestraalbuis (bijv. een televisiebuis) die in de vorm van lichtstippen de structuur van een eenvoudige molecuul weergeeft. Elke lichtstip komt toch overeen met een deeltje? Dat bewijst dan toch dat zo’n deeltje bestaat? Ho ho, dit is een grote illusie. Een lichtstip tover je (let op mijn woordkeus) op een lichtgevoelig scherm met behulp van krachten en velden, elektronenstralen (dat zijn processen). Het afgebeelde deeltje is een illusie, geproduceerd door een samenspel van krachten die je bestuurt met elektromagnetische spoelen of elektroden waarop wisselende ladingen aanwezig zijn. Het zichtbaar gemaakte deeltje is het resultaat van een spel van krachten. Waarom zou dan het veronderstelde atoompje niet evenzo het resultaat kunnen zijn van krachten? Van golven? Van energieën? En met de begrippen kracht, golf en energie verlaten we de ruimte en betreden het domein van de tijd. Het krachtenspel verloopt in de tijd, is dynamisch, is een proces, een gebeuren,. Je zou het moeten weergeven, niet met het zelfstandige naamwoord deeltje maar met het werkwoord vormen, modelleren.
In reusachtige deeltjesversnellers met een doorsnee van kilometers (zoals die van het CERN in Genève) jaagt men met magnetische velden deeltjes steeds verder in het rond totdat ze ergens op een statisch materiaal stoten en daarbij uiteenvallen in:  nee, niet in deeltjes maar in zichtbare sporen die door krachten in een bellenvat getekend worden. Die sporen zijn afdrukken van processen, gebeurtenissen, en aan de lengte en richting ervan reconstrueert men (het is er niet, het moet geconstrueerd worden) de grootte en lading van een partikeltje. Er is helemaal geen partikeltje waar te nemen, wel een nawerking van een passerende golf. Een afdruk van een proces.
Als ik met mijn hoofd tegen iets bots, is dat geen bewijs dat dat iets een deeltje of verzameling van deeltjes is. Ik kan ook tegen een windvlaag opbotsen, of een klap krijgen van de zijwind van een voorbijrazende vrachtauto. Er zijn krachten denkbaar zonder deeltjes. Denk eens hoeveel krachten de zonnewarmte op aarde uitoefent, terwijl die toch nauwelijks door de weinige deeltjes in het luchtledige van de ruimte overgedragen kunnen worden.   
Sterker nog: volgens de gangbare opvatting wordt de zwaartekracht door materie (deeltjes) bepaald. Hoe meer massa, des te groter de zwaartekracht die zij uitoefent. In deze denkwijze is het dus nog zo dat deeltjes krachten uitoefenen. maar is die denkwijze juist? Astronomen vragen zich af hoe het toch komt dat de zwaartekracht die licht van verre sterren afbuigt, veel sterker is dan de waarneembare massa welke de zwaartekracht moet veroorzaken. Ze postuleren daarom het bestaan van niet waarneembare materie, de zogenaamde donkere materie, die wel 80% van de aantoonbare zwaartekracht voor zijn rekening neemt.  En maar zoeken naar die zwarte materie! maar als nu de zwaartekracht helemaal niet afhankelijk is van de materie, maar de zaak omgekeerd is? Dan is er geen probleem! Maar probeer dat idee eens te verkopen!

Slotsom: werkelijk is wat bestaat. Maar om te bestaan moet iets tijd in beslag nemen. Dus is het onmogelijk de werkelijkheid te begrijpen als je het element tijd buiten beschouwing laat, als je  je denken digitaliseert, en daarmee jezelf afsnijdt van de levende natuur. Met als cultuurmonument een stenen tuin tot gevolg.
De sprong maken van statisch naar dynamisch denken is een nog grotere prestatie dan de sprong van een geocentrisch naar een heliocentrisch wereldbeeld in de tijd van Copernicus en Galilei. Copernicus lanceerde het idee dat de aarde om de zon draaide. Nog een volle eeuw later moest Galilei zich voor het verbreiden van dit idee verantwoorden. Zo moeilijk was het aanvaarden van het nieuwe idee.De sprong van statisch naar dynamisch denken moet doorwerken in alles wat we denken en ondernemen, en zal dus veel vaker voor de trage mensheid praktisch verzet oproepen. Daarom moeten voorstanders van een dynamisch omgaan met de tijd heel wat geduld oefenen. Maar wat geeft dat, we hebben toch de tijd aan onze kant?

Paul van Winden, gepensioneerd technisch-wetenschappelijk vertaler
Oranjewoud, juni 2008.


december 2009:
Uitweiding op de voorgaande gedachten.

Er is een befaamde denker geweest die een brug heeft trachten te slaan tussen religie (daarbij bedoelde hij niet conventionele religies maar persoonlijke religieuze ontdekkingen) en de wetenschap.
Eén van zijn boeken heet: Science and the Modern World. De auteur heet Alfred North Whitehead.
Zijn denkwijze is goed weergegeven in de bondige titel van een ander boek van hem: Process and Reality.

Wat ik door hem heb leren inzien sluit aan bij het voorgaande betoog. Ik keer terug tot de vraag welke relatie er is tussen deeltjes (substanties) en krachten die ze uitoefenen. In het klassieke denken moet je, voordat er krachten uitgeoefend kunnen worden, iets of iemand hebben die krachten uitoefent. Zo’n iets of iemand heet een substantia (zichzelf in stand houdend, zelfstandigheid). De hele rest is een accidens, iets wat erbij komt maar de vastigheid mist om zelfstandig te kunnen werken.
Een specifieke toepassing van deze visie is dat er deeltjes moeten zijn (substanties) voordat er sprake kan zijn van werking, krachten, van wat Whitehead noemt: processen. Processen zijn geen uitvloeisel van de realiteit, ze zijn zelf de realiteit.
Ik denk hier aan Herakleitos; die zei dat een rivier een realiteit was maar geen zelfstandigheid; want van moment tot moment was er ander water dat erdoor stroomde. Wat maakt de rivier dan? Wat constitueert de rivier? De continuïteit in het veranderen; de innerlijke samenhang in het proces van stromen,
Rare gedachte? Nee, want neem nu een konijn. Wordt dat diertje geconstitueerd (wordt het konijn) door zijn konijnenlichaam? Nee, want het verandert voortdurend. Door eten voegt het aan zijn materie iets toe, door poepen verwijdert het iets uit die substantie. Wat blijft is niet het fysieke konijn maar het proces van wording volgens het konijnenprincipe. Je kunt van een proces spreken als je het kunt toeschrijven aan een bepaald agens. Dat agens is hier het konijn. Maar wat het konijn tot konijn maakt, dat is het zich onderhouden met eten, het omzetten van stoffen op een konijnse manier.
Neem een mens die zich voedt (anders verliest hij zijn continuïteit). Hij neemt niet-mens in zich op en scheidt niet-mens af. Wat blijft er over? Fysieke mens, maar dat is geen zelfstandigheid, het is een doorgangsproces. Primair is ook hier niet de substantie, het zichzelf blijven, want juist door het niet fysiek jezelf blijven, door je eten, voortplanten en groeien, dus door processen, ben je als mens gekarakteriseerd.

En nu God. Wanneer we God opvatten als natuurkracht, of als zich openbarend in menselijke vorm, hebben we te maken met gebeurtenissen. Niet met een substantie. In het O.T. werden afgoden bespot als dode beelden. Tegenover hen stelden de profeten een levende God, een God die er niet was maar die werkte. Als in die God niet de substantie (het zichzelf blijven) fundamenteel is, wat maakt die God dan betrouwbaar? Wat maakt Hem ondanks zijn niet-substantiële natuur betrouwbaar? Dit: dat hij werkt, dat hij proces is. Alle wording in het heelal spruit voort uit liefde. God is liefde. God is opbouwende wording! En wanneer wij ons werken vervlechten met het werken van God, dan zijn we (deel van) God, want we hebben deel aan Gods handelen. Gods kracht is primair. Zoals Prof. Dr. Th.C.Vriezen zei (in: De godsdienst van Israël, Zeist 1963): In het begrip dat Israël van zijn God had, was de centrale realiteit zijn kracht. En kracht uit zich in effect, in werking, in actie. Zoals alles wat een deeltje in de zeer kleine wereld voorstelt, kracht is, werking, golfverschijnsel, ritmiek. Bij die ritmiek hoort de tijd. Een God die werkt, die proces is, verandert in de loop van de tijd, zonder daarbij de continuïteit met zichzelf te verliezen. Zo’n God is als de rivier van Herakleitos: machtig en toch ongrijpbaar. En voor ieder anders.

 

Nieuwsbrief

Meld u hier aan voor de nieuwsbrief die ongeveer 6 keer per jaar verschijnt.
Ik ga akkoord met de Privacy beleid

Winkelmandje met boeken

De winkelwagen is leeg